Uitspraak over de ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft verleend aan de Faunabeheereenheid. Op grond van de ontheffing mag de Faunabeheereenheid gedurende het hele jaar wilde zwijnen in de provincie Utrecht doden met een geweer. De ontheffing is aangevraagd in het kader van het zogenoemde nulstandbeleid. In Nederland zijn drie plekken aangewezen waar wilde zwijnen mogen leven, maar die liggen niet in Utrecht. Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life zijn het niet eens met de ontheffing en kwamen hiertegen eerder in beroep bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank verklaarde hun beroep gegrond. De rechtbank overwoog dat het college van gedeputeerde staten ‘aannemelijk moet maken’ dat de ontheffing nodig is met het oog op schadebestrijding, verkeersveiligheid en het voorkomen van lijden van zieke dieren. Maar de rechtbank stelde vast dat het college de noodzaak van de ontheffing motiveert met het nulstandbeleid. Volgens de rechtbank is dat onvoldoende. Uit de beschikbare schadegegevens kan niet worden afgeleid dat een nulstandbeleid in Utrecht noodzakelijk is om schade te voorkomen en verkeersveiligheid te verzekeren, aldus de rechtbank. Tegen deze uitspraak van de rechtbank is het college van gedeputeerde staten van Utrecht in hoger beroep gekomen. De Afdeling vindt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er, zodra wilde zwijnen zich in Utrecht vestigen, een concrete dreiging bestaat van ernstige schade en van gevaar voor de verkeersveiligheid. Daarbij mocht het college volgens de Afdeling steunen op ervaringen en schadecijfers uit vergelijkbare gebieden in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Ook oordeelt de Afdeling dat het college overtuigend heeft toegelicht dat geen andere bevredigende oplossing bestaat om het beoogde doel van nulstand te bereiken. Maatregelen als afrastering of vangkooi worden door de Afdeling niet als voldoende effectief of passend gezien voor dit doel. De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland wordt vernietigd en het beroep van de stichtingen tegen het besluit van 25 mei 2021 wordt ongegrond verklaard. ABRvS 15-04-2026, ECLI:NL:RVS:2026:2097.