Winstbelasting

A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vragen (i) hoe de waardedaling van de landbouwgrond die zal veranderen in natuurterrein, en de daarmee samenhangende – wettelijke vrijgestelde – subsidie in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van de belastbare winst; en (ii) wat een zakelijke verdeling is van de aan de maatschap toegekende subsidie tussen de maten. Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteren samen met hun zoon in maatschapsverband een melkveehouderij. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben het gebruik en genot van een deel van de hun in eigendom toebehorende landbouwgronden ingebracht en rekenen deze grond tot hun buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Alle maten zijn gerechtigd tot 1/3 deel van de winst van de maatschap. Op 15 maart 2010 is op naam van de maatschap een subsidie aangevraagd voor de functieverandering van de gronden in natuurterrein. De subsidie van € 473.450 is aan de maatschap uitgekeerd. In de aangifte van belanghebbende is 1/3 deel van de subsidie in aanmerking genomen en is voor hetzelfde bedrag is een vrijstelling geclaimd. In hun aangiften hebben belanghebbende en zijn echtgenote de gronden afgewaardeerd met een bedrag van in totaal € 401.949. Het Hof is van oordeel dat het niet toe is gekomen aan de vraag of de vrijstelling (art. 3.13, lid 1, onderdeel g Wet IB 2001) van toepassing is omdat de subsidie in de fiscale winstberekening reeds is gecompenseerd door (of gesaldeerd met) de waardevermindering van de grond (m.a.w. de subsidie is niet vrijgesteld). De parlementaire geschiedenis geeft naar mening van de A-G onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de waardevermindering van grond een niet-aftrekbare (vrijgestelde) last is. Bovendien is het naar zijn mening de vraag of werkelijke kosten kunnen worden uitgesloten van aftrek, omdat hiervoor een forfait is opgenomen. Ten slotte laat de A-G aan de hand van een voorbeeld zien dat de uitleg van de vrijstelling die het Hof voorstaat, de vrijstelling tot een dode letter maakt. Het eerste middel slaagt. Voorts heeft het Hof aan zijn oordeel dat de subsidie niet is verleend ter vergoeding van inkomensderving, de gevolgtrekking verbonden dat eventuele inkomensderving van de maatschap geen zakelijke grond kan vormen voor de vergoeding aan de zoon. Naar mening van de A-G kan deze gevolgtrekking zonder nadere redengeving niet als juist worden aanvaard. Het tweede middel slaagt en verwijzing moet volgen. Ten slotte komt de A-G tot de conclusie dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard. Parket HR 27-02-2020, ECLI:NL:PHR:2020:185. Zie ook ECLI:NL:PHR:2020:232

 

2020-03-16T16:53:35+01:00 16 maart 2020|Nieuwsflits|