Overeenkomst van bruikleen (om niet) van bedrijfsgebouwen en geliberaliseerde pachtovereenkomst met betrekking tot de grond. De pachtkamer komt tot het oordeel dat er geen sprake is van een hoevepachtovereenkomst in de zin van artikel 7:313 BW omdat niet is gebleken van de vereiste tegenprestatie voor zowel het gebruik van het land als de percelen. De geliberaliseerde pachtovereenkomst is niet tijdig ter goedkeuring aangeboden. Ingevolge artikel 7:322 lid 2 BW gaat de in artikel 7:325 BW bedoelde duur van de pachtovereenkomst in bij de aanvang van het pachtjaar, volgende op dat, waarin de overeenkomst is ingezonden. Rb Noord-Nederland 31-03-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:979.