Fosfaatrechten

Beroep op artikel 1 van het EP in verband met uitbreiding van het bedrijf waarvoor investeringen zijn gedaan maar die op de peildatum nog niet volledig gerealiseerd was. Dit beroep slaagt niet. Appellant heeft een keuze gemaakt voor gefaseerde groei, middels eigen aanwas. In een dergelijk geval is er geen grond om, in weerwil van de voorzienbaarheid van maatregelen om de mestproductie te beperken, te concluderen tot een schending van artikel 1 van het EP. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat appellant buitensporig getroffen is door het fosfaatrechtenstelsel. CBB 13-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:354

Knelgevallenregeling, omvang melkproductie: verweerder is ten onrechte van gemiddelde melkproductie over 2014 uitgegaan, gezien de gestelde bijzondere omstandigheden in dat jaar; beroep op artikel 1 van het EP in verband met uitbreiding van het bedrijf waarvoor investeringen zijn gedaan maar die op de peildatum nog niet gerealiseerd was, slaagt niet. Appellant beschikte op de peildatum nog niet over de voor het beoogde aantal dieren vereiste omgevingsvergunning. Voor zover appellant varkensrechten wilde inruilen en dat uiteindelijk niet mogelijk was, geldt dat dit op zichzelf een onvoldoende bijzondere omstandigheid vormt. Gesteld noch gebleken is dat appellant in weerwil van de voorzienbaarheid van maatregelen ter beperking van de mestproductie feitelijk (om bedrijfseconomische redenen) gedwongen was zijn bedrijf uit te breiden. Verder heeft appellant zijn stelling dat zijn bedrijf door het fosfaatrechtenstelsel ernstig in de problemen komt onvoldoende onderbouwd en blijft onduidelijk in hoeverre alternatieve aanwending van de reeds gedane investeringen verlichting van de gestelde financiële last kan geven. CBB 13-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:355

Appellante draagt door de korting op haar fosfaatrecht vanwege het niet grondgebonden zijn in dit geval een individuele en buitensporige last. Appellante heeft grond verpacht en is, als gevolg van de keuze van de wetgever om bij het vaststellen van de fosfaatruimte aan te sluiten bij peildatum 15 mei 2015, uitsluitend door deze verpachting gekort. Appellante heeft de grond, behalve tijdens de verpachting, steeds zelf in gebruik gehad. De verpachting was eenmalig en tijdelijk. Appellante wordt, ook ten opzichte van vergelijkbare gevallen waarin vanwege het niet voldoen aan de grondgebondeneis een korting is toegepast, fors geraakt. De voordelen bij de pachtovereenkomst staan niet in verhouding tot het nadeel. Daarbij is van belang dat appellante bij het aangaan van de pachtovereenkomst weliswaar kon verwachten dat vanwege de afschaffing van het melkquotum maatregelen zouden volgen, maar niet kon voorzien dat de verpachting zou leiden tot een grote verliespost. Hierbij komt nog dat appellante in 2015 mest van haar bedrijf op de verpachte grond heeft afgezet en zij daarmee feitelijk in lijn met de grondgebondenheid handelde, terwijl de pachter als akkerbouwer geen fosfaatrechten voor die grond heeft verkregen. Gelet op al deze specifieke omstandigheden is het College van oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last en de vaststelling van het fosfaatrecht zonder enige vorm van compensatie in strijd is met artikel 1 van het EP. CBB 13-08-2019, ECLI:NL:CBB:2019:341

2019-08-20T11:38:59+02:00 20 augustus 2019|Nieuwsflits|