Fosfaatrechten

Bedrijfsovername. Het College is van oordeel dat, nu dit volgt uit de toelichting bij de wet, verweerder terecht is uitgegaan van de afspraken tussen partijen over de verdeling van het fosfaatrecht bij de opsplitsing van V.O.F. [naam 5] . Verweerder wordt echter niet gevolgd in zijn standpunt in het bestreden besluit over wat door partijen is afgesproken. In de meldingsgegevens over de bedrijfsovername staat dat 29% van de referentiegegevens wordt overgenomen door appellante. Direct daarachter staat vermeld: “(conform bijlage 2)”. Op bijlage 2 staat handgeschreven “Gegevens overdracht naar maatschap [naam 6] ”. De bijlage bevat de “Referentiegegevens fosfaatrechten”, met daarbij de dieraantallen 121 (diercategorie 100), 39 (diercategorie 101) en 52 (diercategorie 102). Appellante heeft op zitting toegelicht dat deze dieraantallen, in zijn totaliteit bezien, volgens de verdelende partijen neerkomen op een fractie meer dan 29% van de dieraantallen van V.O.F. [naam 5] . Verder staat in de brief van appellante van 29 december 2017, in reactie op de door verweerder geregistreerde gegevens over de fosfaatrechten: “Cliënte heeft overgenomen 39 stuks “jongvee 101”, 52 stuks “jongvee 102” en 121 stuks “melk- en kalfkoeien 100”. Het College is van oordeel dat uit deze gegevens voldoende duidelijk blijkt, zoals ook door verweerder op zitting is erkend, dat bij de bedrijfsovername is beoogd dat appellante het fosfaatrecht zou verkrijgen, behorend bij de dieraantallen 121, 39 en 52, en niet zoals verweerder heeft aangenomen 123, 48 en 47. Dat betekent dat ook deze grond slaagt. CBB 28-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:220

Het College overweegt dat uit het feit dat verweerder het fosfaatrecht alsnog heeft bijgesteld, op grond van de op de peildatum aanwezige dieraantallen, volgt dat appellant door het indienen van een bezwaarschrift niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, dan waarin hij zou hebben verkeerd indien hij van het maken van bezwaar zou hebben afgezien. De wijziging van de dieraantallen leidt, onbetwist door appellant, tot een hoeveelheid fosfaatrecht van 6.569 kg en dat is meer dan de hem bij het primaire besluit toegekende hoeveelheid fosfaatrecht van 6.563 kg. Daaraan doet niet af dat de berekening in het bestreden besluit op één onderdeel minder gunstig uitkomt dan de berekening in het primaire besluit. Er is geen sprake van strijd met het beginsel van reformatio in peius, zodat de grond niet slaagt (zie ook de uitspraak van 3 maart 20116, ECLI:NL:CBB:2006:AV4557). Het College komt niet toe aan de vraag of verweerder de bevoegdheid heeft om ambtshalve het primaire besluit te herzien. CBB 28-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:221

Totale hoeveelheid geproduceerde melk, gelet op de dierziekte subklinische mastitis, gesteld hoger te zijn dan door verweerder is aangenomen. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. CBB 22-05-2019, ECLI:NL:CBB:2019:226

2019-06-11T13:48:09+02:00 11 juni 2019|Nieuwsflits|