Erfdienstbaarheid

Erfdienstbaarheid gevestigd in 1964, akte van toedeling in 2008. De vraag is of de oude erfdienstbaarheid is blijven bestaan (inclusief onderhoudsverplichting) of dat een nieuwe erfdienstbaarheid is gevestigd, zonder zo’n verplichting. De rechtbank oordeelt dat de in 1964 gevestigde erfdienstbaarheid met het overschrijven van de akte van toedeling teniet is gegaan. Bij de toedeling zijn echter wederom erfdienstbaarheden betreffende recht van weg gevestigd. De kern van de stellingname van [eisers] is dat de oude en nieuwe situatie ten aanzien van het zandpad en het gebruik ervan identiek zijn en dat de nieuwe erfdienstbaarheden feitelijk op hetzelfde neerkomen als het in 1964 gevestigde recht van reed. Beoordeeld moet worden of om die reden sprake is van gehandhaafde erfdienstbaarheden als bedoeld onder N. van de akte van toedeling. De rechtbank stelt vast dat de begrippen gehandhaafde- en nieuw gevestigde erfdienstbaarheid zijn gebruikt in het hiervoor aangehaalde onderdeel N. van de akte van toedeling, maar dat deze begrippen in de in deze procedure overgelegde delen van de akte niet nader zijn gedefinieerd. Bezien in het licht van de verdedigbare stelling van [eisers] dat strikt genomen alle bij akte van toedeling gevestigde erfdienstbaarheden nieuw zijn, zal de rechtbank moeten oordelen hoe het gehanteerde begrip ‘gehandhaafde erfdienstbaarheid’, dat enigszins in tegenstrijd lijkt met de voorgaande constatering, moet worden uitgelegd. Alhoewel het feitelijke (recht van) overpad over het zandpad en de betrokken dienende en heersende percelen niet zijn gewijzigd en [eisers] kan worden nagegeven dat er in die zin feitelijk sprake is van een voortzetting op identieke wijze van de oude situatie, is de rechtbank desondanks van oordeel dat dit niet een gehandhaafde erfdienstbaarheid als bedoeld onder N. van de akte van toedeling betreft. Daartoe overweegt de rechtbank dat er als gevolg van de werking van artikel 208 lid 2 Liw een rechtens volledig nieuwe situatie is ontstaan, met alle gevolgen van dien.  Uit de door Staatsbosbeheer overgelegde gedeelten uit de akte van toedeling blijkt dat in meerdere gevallen bij de daar genoemde, gevestigde erfdienstbaarheden is verwezen naar voorgaande erfdienstbaarheden door middel van de omschrijving: “zoals gevestigd en omschreven in akte (…)”, waarbij in een enkel geval zelfs specifieke uit de voorgaande erfdienstbaarheid voortvloeiende lasten zijn vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren die gevallen als voortgezette erfdienstbaarheden zoals bedoeld onder N. van de akte van toedeling, omdat uit deze vermelding in de akte blijkt dat deze erfdienstbaarheden zijn gaan gelden zoals dat voordien het geval was. Met andere woorden, de akte van toedeling zelf herbevestigt in feite de oude erfdienstbaarheden. In het onderhavige geval ontbreekt echter de verwijzing naar de akte uit 1964. Omdat dit met zoveel woorden is omschreven in de akte van toedeling is het recht van overpad (wederom) gevestigd, maar niet de eveneens in de akte uit 1964 vastgelegde onderhoudsregeling. Rechtbank Noord-Nederland 07-02-2018. ECLI:NL:RBNNE:2018:405

2018-03-07T08:46:45+01:00 5 maart 2018|Nieuwsflits|