Dierenwelzijn

Last onder dwangsom Wet dieren. Het College overweegt wat betreft het herstel op de locatie van appellante dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in de last opgelegde maatregelen geenszins op het bedrijf van appellante konden worden uitgevoerd. Het College ziet niet in dat het uitvoeren van de maatregelen ten aanzien van het bekappen van de runderen, het verzorgen van de zieke dieren en het aanpassen van de voerhekken niet, zo nodig gefaseerd, op het bedrijf kon plaatsvinden. Verweerder had het aanpassen van de voerhekken en het reinigen van de stallen bijvoorbeeld door de Agrarische Bedrijfsvoering kunnen laten uitvoeren en de eigen dierenarts van appellante opdracht kunnen geven de zieke dieren te laten behandelen. De conclusie van de toezichthoudend dierenarts in de veterinaire verklaring dat het niet uitvoeren van de maatregelen en de beschreven omstandigheden ertoe leiden dat een aantal dieren ‘in de knel dreigt te komen’ en om die reden de dieren meegevoerd dienden te worden, is onvoldoende gemotiveerd en kan daarom niet leiden tot een ander oordeel. Voor een andersluidend oordeel acht het College ook onvoldoende het standpunt van verweerder dat op het bedrijf geen geschikte huisvesting aanwezig was. Hierbij is van belang dat uit het toezichtrapport van de hercontrole op 20 april 2016 niet kan worden opgemaakt dat verweerder toen of op 22 april 2016 heeft onderzocht of elders op het bedrijf van appellante geschikte huisvesting aanwezig was. Nu het bedrijf van appellante is gevestigd op vier verschillende locaties en, naar appellante onweersproken heeft gesteld, de beschikking heeft over in totaal 120 ha grond, had het op de weg van verweerder gelegen te onderzoeken of de dieren elders op dit bedrijf konden worden gehouden, alvorens over te gaan tot het ingrijpende middel van het meevoeren en opslaan van de dieren. Nu verweerder dit heeft nagelaten, moet het ervoor worden gehouden dat ten tijde van het meevoeren van de runderen niet vast stond dat alternatieve huisvesting op het bedrijf van appellante redelijkerwijs niet mogelijk was. CBB 18-01-2018, ECLI:NL:CBB:2018:20. Zie voorts CBB 22-12-2017, ECLI:NL:CBB:2017:483 over verwaarloosde pony’s.

2018-03-07T08:48:23+01:00 27 februari 2018|Nieuwsflits|