Corona

Er is extra steun beschikbaar voor de volgende ondernemingen, die in aanmerking komen voor een eenmalige aanvullende tegemoetkoming:

–primaire ondernemingen in de sierteelt en primaire ondernemingen in de voedingstuinbouw die vrijwel volledig afhankelijk zijn van afzet aan de horeca, die in de periode van 12 maart tot en met 11 juni 2020 ten opzichte van de gemiddelde omzet in dezelfde periode in de drie voorgaande jaren 2017–2019 een omzetderving van minimaal 30 procent hebben om onder andere onvermijdelijke seizoensgebonden loonkosten te kunnen blijven betalen. Dit houdt in dat ondernemers met een lagere omzetderving dan 30%, niet voor deze regeling in aanmerking komen. Uitgangspunt bij ondernemers die wel voor deze regeling in aanmerking komen, is dat 30% van de omzetderving onder ondernemersrisico valt en dat de Staat de resterende 70% van de schade voor een aanzienlijk deel compenseert;

–bij primaire ondernemers in de voedingstuinbouw dient minimaal 75% van de omzet betrekking te hebben op directe of indirecte leveringen aan ondernemers met een in de bijlage genoemde SBI-code (de zogenaamde food-services; gespecialiseerde producten die worden geleverd aan hotels, restaurants en andere in de bijlage genoemde horecabedrijven). Het kan ook gaan om een vergelijkbare registratie in een andere lidstaat indien niet aan een bedrijf in Nederland wordt geleverd. Dit is het geval indien de producten worden bestemd voor in de bijlage genoemde activiteiten, zoals restaurants en hotels in andere lidstaten waar ze geen SBI code hebben. De tegemoetkoming wordt voor telers gebaseerd op de omzetderving die op deze leveringen betrekking heeft;

–groothandelsondernemingen in de sierteelt (hieronder vallen geen verkopen aan de eindverbruiker). Voor deze ondernemingen wordt de aanvullende tegemoetkoming berekend op basis van de hoogte van de bruto winst in de periode van 12 maart tot en met 11 juni 2020. De tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van 70% van het verschil van het gemiddelde van de bruto winst in de periode van 12 maart tot en met 11 juni over de jaren 2017, 2018 en 2019 en de bruto winst in de periode van 12 maart tot en met 11 juni 2020, en op de uitkomst 30% in mindering te brengen;

–groothandelsondernemingen in de voedingstuinbouw (hieronder vallen geen verkopen aan de eindverbruiker) die vrijwel volledig afhankelijk zijn van de afzet aan de horeca. Voor deze ondernemingen geldt dat minimaal 75% van de omzet betrekking moet hebben op leveringen aan ondernemers met een in de bijlage genoemde SBI-code. Het kan ook gaan om een vergelijkbare registratie in een andere lidstaat indien niet aan een bedrijf in Nederland wordt geleverd. Dit is het geval indien de producten worden bestemd voor in de bijlage genoemde activiteiten, zoals restaurants en hotels in andere lidstaten waar ze geen SBI code hebben. De tegemoetkoming wordt gebaseerd op de gederfde bruto winst die op deze leveringen betrekking heeft;

–wegtransporteurs van bloembollen, sierplanten, perkplanten, potplanten, snijbloemen, heesters en boomkwekerijgewassen die transporteren van telers naar veilingen en groothandelaren. Deze regeling is opgesteld om ondernemers in de sierteelt sector tegemoet te komen. Een essentieel onderdeel van de sierteeltketen is het vervoer van sierteelt producten over de weg van telers naar veilingen en groothandelaren. De wegtransporteurs hebben te maken met vraaguitval van het sierteeltvervoer over de weg in de periode 12 maart tot 11 juni, omdat in deze periode aan de veilingen nauwelijks producten worden aan- en afgevoerd. Om die reden is ervoor gekozen de wegtransporteurs in aanmerking te laten komen voor een tegemoetkoming op basis van deze regeling. De tegemoetkoming voor wegtransport is uitsluitend bedoeld voor wegtransporteurs van bloembollen, sierplanten, perkplanten, potplanten, snijbloemen, heesters en boomkwekerijgewassen die transporteren van telers naar veilingen en groothandelaren. De tegemoetkoming voor deze specifiek afgebakende groep wegtransporteurs wordt berekend op basis van 70% van de omzetderving (exclusief 30% ondernemersrisico) in de periode van 12 maart tot 11 juni;

–voor handelsondernemingen geldt dat deze in de definitie zijn afgebakend tot groothandelaar, om te verduidelijken dat het handel van business-to-business betreft. Detailhandel en retail valt buiten de reikwijdte van deze regeling;

–om zeker te stellen dat alle ondernemingen die extra ondersteuning nodig hebben en aanspraak maken op de regeling ook daadwerkelijk steun kunnen ontvangen is ervoor gekozen om per bedrijf een maximum te stellen aan de tegemoetkoming op basis van omzetcategorieën. Hierbij is zoveel mogelijk rekening gehouden met de verwachte schade van individuele bedrijven in de verschillende categorieën. Voor de aan de gedupeerde onderneming te verstrekken tegemoetkoming is een maximum plafond ingesteld, dat afhankelijk is van de bedrijfsomvang. Hiertoe is besloten om alle bedrijven die passen binnen de voorwaarden voor tegemoetkoming op basis van de regeling ook daadwerkelijk proportionele steun te kunnen verlenen. Het uitgangspunt van de regeling is ondernemers aanzienlijk tegemoet te komen voor de geleden schade, maar beoogt geen volledige schadeloosstelling. De maximale plafonds zijn gekozen om aan dit gelijkwaardigheidsprincipe invulling te kunnen geven. De consequentie van deze keuze is dat de grote groep kleinere ondernemers (naar verwachting ca. 2000) voor een groter aandeel van hun schade tegemoet gekomen wordt dan de kleine groep grote ondernemers (naar verwachting ca. 100). Er worden vier categorieën met maximale plafonds per onderneming gehanteerd op basis van de gemiddelde omzet (voor gedupeerde ondernemers) of brutowinst (voor gedupeerde groothandelaren) over de periode van 12 maart tot en met 11 juni in 2017, 2018 en 2019;

–de veilingen in Nederland hebben een uitzonderlijke positie in de sierteeltketen, doordat zij een essentiële functie in de keten hebben door de gebundelde vraag en aanbod in de markt te verzorgen. De veilingen zijn een coöperatie van de aangesloten telers en hebben geen winstoogmerk. De veilingen zijn geen groothandelsorganisatie, omdat de veilingen nooit eigenaar zijn van de producten. Om die reden passen de veilingen niet in de in deze regeling vastgestelde categorie-indeling van bedrijven voor telers en groothandelaren. De sierteeltketen zou zwaar beschadigd worden als de veiling deze functie niet meer zou kunnen uitoefenen en de duizenden aangesloten telers individueel de afzet zouden moeten organiseren. De veilingen hebben voorts ook een belangrijke functie in het vaststellen van marktstandaarden. Om die reden wordt de tegemoetkoming voor de veilingen van sierteeltproducten bepaald op basis van gederfde provisies en gederfde opbrengst van relevante heffingen die de veiling oplegt aan de aangesloten leden. Het percentage voor provisie en de relevante heffingen aan de telers bedraagt ca. 7%. De tegemoetkoming wordt vastgesteld op 70% van het verschil tussen de gemiddelde opbrengsten aan provisies en heffingen in de periode van 12 maart tot en met 11 juni over de jaren 2017, 2018 en 2019 en de opbrengst aan provisies en heffingen in de periode van 12 maart tot en met 11 juni 2020, met een maximum van 7% van de totale omzetderving van de leden van de desbetreffende veiling;

–aardappeltelers, voor de hoeveelheid fritesaardappelen die zij nog in opslag hebben en die niet meer verwerkt zullen worden tot diepgevroren en/of koel-verse aardappelproducten of aan groothandel of detailhandel (in kleinverpakking) afgeleverd. De vergoeding zal maximaal 44% bedragen van de gemiddelde marktwaarde van deze fritesaardappelen over de periode september 2019 t/m februari 2020 hetgeen resulteert inmaximaal 6 cent per kilo fritesaardappelen die in de periode van 16 maart tot en met 31 augustus 2020 niet kunnen worden afgezet aan de aardappelverwerkende voedingsmiddelenindustrie voor de productie van diepgevroren en/of koel-verse aardappelproducten of aan groothandel of detailhandel (in kleinverpakking).

Uitgangspunt is dat het gaat om de ondersteuning van ondernemers met toekomstperspectief, die door de maatregelen van de overheid om COVID-19 te bestrijden hard worden getroffen. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de regeling is ervoor gekozen dat het moet gaan om een onderneming die op peildatum 12 maart 2020 ingeschreven was in het handelsregister. Alleen ondernemingen die niet in staat van faillissement verkeren en waarvoor geen verzoek tot surseance van betaling is ingediend, komen voor de tegemoetkoming in aanmerking (artikel 4 en 9, onderdeel b). Stcrt. 08-05-2020, nr. 25444.

2020-05-11T15:42:49+02:00 11 mei 2020|Nieuwsflits|