Op 28 augustus jl. is het Besluit van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van 27 augustus 2026 nr. WJZ/ 108138817, tot het zich voordoen van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in de artikelen 4.1187, derde lid en 4.1188, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 19.0 van de Omgevingswet in verband met extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak in de Staatscourant gepubliceerd, Stcrt. 2026, nr. 31009. Met dit besluit wordt vanwege extreme weersomstandigheden in combinatie met een landbouwkundige noodzaak in 2026 de uitrijdperiode voor drijfmest op grasland verlengd tot en met 15 september. Dit betreft zowel de periode waarin vaste dierlijke mest op grasland mag worden uitgereden op zand- en lössgronden, als de uitrijdperiode voor drijfmest in alle grondsoortregio’s. De uitrijdperiode voor drijfmest op graslandpercelen in heel Nederland wordt verlengd tot en met 15 september. Daarnaast wordt de uitrijdperiode voor vaste mest op graslandlandpercelen gelegen op zand- en lössgronden verlengd naar 15 september van dit jaar in plaats van tot en met 31 augustus. De uitrijdperiode voor vaste dierlijke mest op grasland gelegen op kleigronden of veengronden loopt al tot en met 15 september. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers die binnen de gebruiksnormen nog dierlijke mest kunnen uitrijden, langer de tijd hebben om dierlijke mest op grasland uit te rijden op een voor het milieu verantwoorde manier. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan het verzoek van LTO, en het verzoek van NMV, Agractie, DDB en Boeren met Toekomst. In hun verzoek hebben zij gevraagd om een verlenging van de uitrijdperiode van mest vanwege de droogte. Hierover zijn eveneens Kamervragen gesteld door het lid Van der Plas. In afstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, wordt het advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) opgevolgd en in dit besluit uitgewerkt. Het voornemen om het uitrijdseizoen te verlengen is toegelicht in de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2026 (kenmerk 2026Z17281) waarbij eveneens het betreffende CDM-advies is gepubliceerd. Dit besluit wijzigt niets aan de gebruiksnormen of aan de methoden waarmee drijfmest mag worden toegepast. Paragraaf 2 bevat een toelichting op het besluit. Ingegaan wordt op het juridisch kader en het advies van de CDM. Daarnaast wordt in paragraaf 3 ingegaan op de administratieve lasten die zijn gemoeid met dit besluit en de uitvoerings- en handhavingsaspecten.