Mono-mestvergisters

Deze uitspraak gaat over twee omgevingsvergunningen voor mono-mestvergisters. Eiseres is het niet eens met de verleende vergunningen. De rechtbank oordeelt dat het college voor iedere mono-mestvergister onvoldoende heeft onderzocht of significante gevolgen daarvan voor een Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. De rechtbank licht dit toe in de rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5. Daarmee is onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake was van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), en daarmee is ook onvoldoende gemotiveerd dat geen aanhaakplicht gold. Gelet op de aanvragen van de omgevingsvergunningen moet in de voortoets worden beoordeeld of de bouw en het gebruik van de mestvergisters significante effecten kunnen hebben. Omdat de toevoer van de mest naar de vergister en de na-opslag van het digestaat daarmee één project vormen, moeten ook die activiteiten in de voortoets worden betrokken. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat het college onvoldoende heeft onderzocht of significante gevolgen van het gebruik van de mestvergisters kunnen worden uitgesloten. Dit betreft in ieder geval emissies van stikstof en/of zwavelverbindingen als gevolg van verkeersbewegingen, het overdrukventiel en de fakkel. Ook cumulatie is onvoldoende beoordeeld. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Rb Noord-Nederland 06-08-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3457. Zie ook Rb Noord-Nederland 06-08-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3245.

Facebook
Twitter
WhatsApp
Email